Belastingdienst slaagt niet in bewijslast in het kader van het gebruikelijkheidscriterium bij de werkkostenregeling

Op 14 september 2016 heeft de Rechtbank Noord-Holland een aantal arresten gewezen over het gebruikelijkheidscriterium. Het geschil zag op de kwalificatie van loon als regulier of als eindheffingsloon.

De procedure

In geschil was of aandelen die aan de directie van een vennootschap waren toegekend als loon aangemerkt dienden te worden of als eindheffingsbestanddeel. Waar belastingplichtige het voordeel als eindheffingsbestanddeel heeft aangemerkt, was de Belastingdienst van mening dat het om regulier loon ging. De Belastingdienst heeft dan ook over de jaren 2012 en 2013 verschillende naheffingsaanslagen opgelegd. De Belastingdienst was van mening dat niet aan het gebruikelijkheidscriterium wordt voldaan.

Fiscale kader

Onder de werkkostenregeling kunnen verschillende kosten worden ondergebracht die in het kader van de dienstbetrekking worden gemaakt en niet gericht zijn vrijgesteld of waarvoor een nihilwaardering geldt. Waar de nihilwaarderingen en de gerichte vrijstellingen relatief duidelijk in de wet zijn beschreven, is dat anders voor kosten die als eindheffingsloon worden aangemerkt. Ten aanzien van het eindheffingsloon wordt verwezen naar het gebruikelijkheidscriterium. Waar de Belastingdienst in het Handboek Loonheffingen hiervoor verschillende handreikingen heeft gedaan is het niet geheel duidelijk wat nu wel en niet als eindheffingsloon kwalificeert. In het Handboek Loonheffingen is ook een doelmatigheidsgrens opgenomen van € 2.400. Indien de kosten niet meer dan € 2.400 per werknemer bedragen, mag dit als eindheffingsloon worden aangemerkt.

Vast is komen te staan dat er nog veel onduidelijkheid bestaat over het gebruikelijkheidscriterium.

Bewijslastverdeling bij gebruikelijkheidscriterium

In het kader van het gebruikelijkheidscriterium is in de memorie van antwoord (Kamerstukken I 2009/2010, 32 130, nr. E, blz. 15-16) opgenomen dat de bewijslast bij de inspecteur ligt. Dit betekent dat de Belastingdienst aannemelijk dient te maken dat bepaalde kosten niet als einheffingsbestanddeel kwalificeren maar als regulier loon.

Uitkomst procedure

In de arresten van de Rechtbank Noord-Holland van 14 september 2016, (nrs. HAA 14/2599 en HAA 15/2207, HAA 14/2600 en HAA 15/2207, HAA 14/2601 en HAA 15/2208HAA 14/2620 en HAA 15/2209HAA 14/2645 en HAA 15/2210) oordeelt de rechter dat de inspecteur er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat het gebruikelijkheidscriterium werd overschreden. De Rechtbank Noord-Holland stelt belastingplichtige in het gelijk en vernietigt de naheffingsaanslagen loonbelasting.

En hoe nu verder?

Dit arrest geeft aan dat er nog veel onduidelijkheid bestaat over het gebruikelijkheidscriterium. Wel is het voor de praktijk goed om te weten dat de Belastingdienst dient te bewijzen dat iets ongebruikelijk is en dan ook niet als eindheffingsbestanddeel in aanmerking wordt genomen. Daar op het moment van schrijven van dit artikel nog niet duidelijk is of de Belastingdienst in hoger beroep gaat, lijkt dit wel te gebeuren. De motivering van de Belastingdienst is in deze procedure zo summier, dat zij bij het Gerechtshof opnieuw een kans wagen.

In de toekomst verwacht ik nog een groot aantal procedures die betrekking hebben op het gebruikelijkheidscriterium. Het zal dan naar mijn mening ook nog wel even duren voordat uitgekristalliseerd is wat nu wel en wat niet onder het gebruikelijkheidscriterium zal vallen.



26 Sep 2016



Waardeer het artikel Bewijslast gebruikelijkheidscriterium WKR



Stel uw vraag:



naar boven
Contact

MKB Fiscaal Juristen
Marthalaan 5
7511AZ Enschede

t : 053 432 72 00
f : 053 431 34 24
e : info@mkbfiscaaljuristen.nl